Wired for sound

De walkman (1979), de discman (1984), de minidiskspeler (1991), de mp3-speler (1999) en de iPod (2001). Ik heb ze allemaal zien komen en geen een van deze uitvindingen is ooit weer helemaal weggegaan. In tegendeel, mp3-spelers en in het bijzonder de iPod in al zijn varianten winnen de laatste jaren nog aan terrein. Wat deze apparaatjes gemeen hebben, is dat ze muziek als het ware draagbaar hebben gemaakt.

Ik word er ’s morgens in de metro altijd een beetje kregelig van, al die mensen die met dopjes (en tegenwoordig steeds vaker met uit de kluiten gewassen hoofdtelefoons) in hun oren voor zich uit lopen te staren. Geen sprankeltje emotie op hun gezichten, geen spiertje dat vertrekt. Zelden zijn de momenten dat je iemand ziet meeneuriën. Alleen maar decibels. Muziek als de ultieme tranquillizer. Daar kan geen Temesta of Valium tegenop.

Ook op de werkplek blijken mensen nood te hebben aan een ubiquitair muziekje. Collega’s zie ik tijdens hun werkzaamheden regelmatig muziek beluisteren. Hoe ze op die manier hun concentratie bij het werk kunnen houden, is mij een raadsel. Maar wie ben ik om daarover een oordeel te vellen?

Waarom loopt de mens al bijna dertig jaar rond met muziek in de oren, als in een cocon? Zeg nou zelf, dat is toch vreemd. Vroeger had je het dansorkest en de jukebox. Dat was tenminste nog sociaal. Je deelde de muziek met je omgeving, iedereen kon meeluisteren. Maar sedertdien zijn we blijkbaar allemaal wat allenig geworden. Solitaire’s the only game in town, zo lijkt het wel.

Zelf vind ik dat je muziek bij voorkeur actief moet beluisteren. Natuurlijk heb ik tijdens de afwas of de schoonmaak ook wel eens een radiodeuntje opstaan. Maar als ik echt wil luisteren dan zet ik me daarvoor graag in een stoel. Ik ben dan – letterlijk – geheel oor. Die opperste concentratie ben je aan de muziek en aan de maker of uitvoerder ervan verplicht. En ja, ook amusementsmuziek verdient aandachtigheid.

Het lijkt wel alsof de homo ludens geen stilte meer kan verdragen. De mens heeft de stilte verloren, maar een recent gegeven is dat allerminst. Sinds wekkers ons ’s morgens laten horen dat het tijd is om op te staan leven we in een wereld van lawaai. De hele dag door, zelfs ’s nachts als we slapen, worden we geplaagd door geluid in de straat of in de lucht. Is het dan verwonderlijk dat de mens als het ware verslaafd is geraakt aan geluid in de oren en niet meer met de stilte kan omgaan?

Stilte is geenszins een teken van eenzaamheid, maar iets waarnaar bewust gestreefd kan worden om de gedachten te zuiveren. Zo’n zuiveringsmoment herstelt het evenwicht in onszelf. Walkin about with a head full of music is één ding, maar niets is sterker dan de stilte. Denkt u daar de volgende keer eens aan als u weer wired for sound op pad gaat.

2 antwoorden op “Wired for sound”

  1. Stil is het geenszins op straat, in de bus of op de metro. Is het dan verwonderlijk dat mensen dan liever aangenaam geluid verkiezen boven het gebrul van motoren, het geschreeuw van medemensen of het geblaf van honden en aangelanden?

    Zoals je zegt moet je écht luisteren om van (goede) muziek te kunnen genieten. Of je nu thuis (wanneer je “eindelijk” stilte kan hebben) je cocon creëert met je stereoketen, of je doet dat aan de hand van een hoofdtelefoon op straat, in de bus of op de metro, maakt dan al helemaal niet meer uit.

    Véél erger vind ik mensen die “de omgeving laten meeluisteren”, aan de hand van luidsprekers op gsm/mp3-speler, of films aan het kijken zijn op hun laptop. Waar mensen tegenwoordig het fatsoen hebben om oortjes te gebruiken om anderen niet (of toch veel minder) lastig te vallen, is er een nieuwe beweging gaande waar mensen vinden dat iedereen maar moet meeluisteren omdat die oortjes niet aangenaam zijn.

    Iedereen heeft andere smaak, en over smaak valt niet te twisten, vandaar vind ik het nog niet zo erg dat mensen hun oortjes gebruiken. U gaat me niet wijsmaken dat in deze tijden er nog veel spontane gesprekken tussen vreemden gestart worden.

  2. Bloekie schreef:

    U gaat me niet wijsmaken dat in deze tijden er nog veel spontane gesprekken tussen vreemden gestart worden.

    Dat is een pertinente waarneming. Nu moet je zo’n gesprek natuurlijk ook niet forceren, het moet spontaan komen. Maar toch zit ik met een “kip-of-het-eigevoel”: spreken mensen niet meer met elkaar omdat ze zich in hun cocon hebben afgezonderd, of creëren ze die cocon als soelaas voor het feit dat ze geen contact meer hebben met elkaar?

    Ik kan me voorstellen dat vreemden elkaar honderd twintig jaar geleden op de paardentram ook niet zomaar aanspraken, maar mensen waren toen wel minder “vreemd” voor elkaar. Men leefde in kleinere gemeenschappen en iedereen kende bij wijze van spreken iedereen. De kans dat je op de tram een bekende tegenkwam en van de gelegenheid gebruik maakte om een praatje te slaan was dus gewoon groter.

    De tijden zijn veranderd en ik wil zeker niet de indruk wekken dat ik de klok wil terugdraaien. Maar af en toe is het goed om even bij de dingen stil te staan en zich af te vragen hoe de wereld zich heeft kunnen ontwikkelen tot de wereld die we vandaag kennen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *